ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8664
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- I. Obbink-Reijngoud
- J.M. van Kempen
- S.K.A. Efstratiades
- Rechtspraak.nl
Premieplicht voor volksverzekeringen van binnenvaartschipper met Duits geregistreerd schip
Eiser werkte in 2006 als loonschipper op een motortankschip dat formeel in Duitsland is geregistreerd en waarvan de eigenaar in Nederland woont. Het geschil betrof de vraag of eiser premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen of dat Luxemburgse wetgeving van toepassing was vanwege vermeende exploitatie door een Luxemburgse onderneming.
De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van het Rijnvarendenverdrag en de interpretatie van het begrip 'onderneming waartoe het schip behoort'. De Rijnvaartverklaring vermeldde de eigenaar als exploitant in 2006, terwijl de vermeende exploitant pas in 2007 werd opgenomen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de exploitatie door de Luxemburgse onderneming plaatsvond.
Verder werd vastgesteld dat de belangrijkste beslissingen omtrent het schip aan boord werden genomen en dat het schip feitelijk nauwer met Nederland verbonden was dan met Duitsland, ondanks de formele thuishaven. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere gevallen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de premieplicht van eiser in Nederland voor de volksverzekeringen over de betreffende periode.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de premieplicht van eiser in Nederland voor de volksverzekeringen over de periode mei tot december 2006.