ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2779
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing voortduren vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatigheid na zes maanden
Eiser, een burger van Azerbeidzjan, werd op 18 maart 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. Eerder ingediende beroepen tegen de bewaring werden ongegrond verklaard. Op 5 september 2011 en 16 september 2011 stelde eiser beroep in tegen het voortduren van de bewaring en het verlengingsbesluit van verweerder.
De rechtbank oordeelt dat de aanvang van de bewaring wordt gemarkeerd door de schriftelijke last tot inbewaringstelling op 18 maart 2011, en niet door eerdere feitelijke vrijheidsontnemingen. Het beroep tegen het verlengingsbesluit is niet-ontvankelijk omdat het samenvalt met het beroep tegen het voortduren van de bewaring.
De rechtbank beoordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat eiser het onderzoek frustreert en dat verweerder voldoende voortvarend handelt om uitzetting te effectueren. Omdat de bewaring langer dan zes maanden duurt, weegt het belang van eiser bij vrijlating zwaarder dan dat van verweerder bij voortzetting.
De bewaring wordt daarom met onmiddellijke ingang opgeheven. Eiser ontvangt een schadevergoeding van €160,00 voor de periode vanaf 18 september 2011 en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €874,00. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatigheid na zes maanden en kent een schadevergoeding toe.