ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2002
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning asiel na beëindiging categoriale bescherming Irak
Eisers ontvingen in 2008 een verblijfsvergunning asiel op grond van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak. In december 2010 trok verweerder deze vergunning in omdat het beschermingsbeleid was beëindigd en de grond voor verlening was komen te vervallen.
De rechtbank toetste of verweerder in redelijkheid tot intrekking kon overgaan, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder hoefde niet over te gaan tot vergunningverlening op andere gronden omdat eisers geen documenten konden overleggen ter staving van hun asielrelaas en het relaas zelf ongerijmdheden en tegenstrijdigheden bevatte.
Eiseres voerde aan dat haar asielrelaas geloofwaardig was en dat zij aanspraak kon maken op bescherming op grond van verschillende artikelen van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht het relaas ongeloofwaardig achtte, mede omdat het afhankelijk was van dat van haar echtgenoot, wiens relaas eveneens ongeloofwaardig werd geacht.
De rechtbank volgde verweerder in de beoordeling dat in Bagdad geen uitzonderlijke situatie bestond die een verblijfsvergunning op grond van artikel 15c van de Definitierichtlijn rechtvaardigt. Ook een beroep op medische gronden faalde wegens het ontbreken van bewijs van een levensbedreigende situatie.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat verweerder in redelijkheid het categoriale beschermingsbeleid heeft kunnen beëindigen en de vergunning intrekken.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.