ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9042

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/19819 VRONTN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling wegens niet-naleving artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000

Eiser, een Iraakse vreemdeling, werd op 7 juni 2011 staande gehouden en in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze bewaring en vorderde tevens een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelde of de staandehouding en de daaropvolgende bewaring rechtmatig waren volgens de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.

Het proces-verbaal van de staandehouding vermeldde slechts summier dat de controle was uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000, zonder inzicht te geven in de specifieke omstandigheden die deze staandehouding rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat deze summiere vermelding onvoldoende is en dat de staandehouding daarom onrechtmatig was. Dit leidde tot de conclusie dat ook de daaropvolgende bewaring onrechtmatig was.

De rechtbank beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende eiser een billijke schadevergoeding toe van € 1.305,-- voor de periode van detentie. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 874,--. Hiermee werd het beroep gegrond verklaard en de belangen van eiser beschermd tegen onrechtmatige vrijheidsbeneming.

Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en eiser krijgt een schadevergoeding van € 1.305,-- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Zutphen
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nr.: AWB 11/19819 VRONTN
Uitspraak in het geding tussen de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
[eiser]
geboren op [1987],
van Iraakse nationaliteit,
verblijvende in UC Zestienhoven,
V-nummer: [nummer],
eiser,
gemachtigde: mr. J. Kerouache, advocaat te Weert,
en
de Minister voor Immigratie en Asiel
verweerder,
gemachtigde: mr. drs. J.P.M. Wuite, werkzaam bij de IND.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2011 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.
Eiser heeft daartegen bij brief van 15 juni 2011 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter zitting van 22 juni 2011. Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting is gebruik gemaakt van een telefonische tolk.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2.2 Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Ingevolge het eerste lid van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dat met ingang van 1 juni 2011 luidt, wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:
a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;
b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.
Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.
Ingevolge het derde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.
Ingevolge het vierde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.
Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
2.3 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor de vaststelling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang dat in het betreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de aanhouding, maar dat tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.
2.4 In het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding van 7 juni 2011 (hierna: het proces-verbaal) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Op 07-06-2011, te A67, om 05:25 uur, waren wij op de openbare auto-/autosnel-/weg: de uitrijstrook Venlo, deeluitmakende van de noordelijke rijbaan van de openbare Autosnelweg A-67, net achter de Duits-Nederlandse grensovergang. In de Gemeente: VENLO
Op bovengenoemd(e) weg worden regelmatig controles uitgevoerd omdat: UIT ERVARING IS GEBLEKEN DAT HIER ILLEGALE IMMIGRATIE PLAATSVINDT.
De controle werd uitgevoerd conform artikel 4.17a Vreemdelingen Besluit, waarmee tevens is gewaarborgd dat deze controle niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.”
2.5 Nog daargelaten de vraag of artikel 4.17a van het Vb 2000 voldoet aan de door het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 22 juni 2010 (zaken C-188/10 en C-189/10, Melki en Abdeli) verlangde waarborgen, is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding van eiser onrechtmatig is, reeds nu het proces-verbaal, zoals aangevoerd, niet inzichtelijk maakt dat is voldaan aan de bij artikel 4.17a Vb 2000 gestelde eisen. De enkele vermelding in het proces-verbaal dat de controle is uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vb 2000 is hiervoor onvoldoende. Anders dan verweerder meent, is het niet aan eiser, die krachtens de Vw 2000 is staandegehouden, aannemelijk te maken dat niet is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel.
2.6 Het beroep is gegrond. De bewaring dient met ingang van heden te worden opgeheven. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat verweerder geen belangen heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van de staandehouding van eiser geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bewaring. Gelet hierop en op de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.
2.7 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, aan de vreemdeling een schadevergoeding toekennen.
In verband hiermee stelt de rechtbank op grond van het vorenstaande vast dat de bewaring van aanvang aan onrechtmatig is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen van € 105,-- voor de dag dat de maatregel in een politiecel ten uitvoer is gelegd en € 80,-- voor de dagen (vijftien) dat de maatregel in een huis van bewaring ten uitvoer is gelegd.
Dit betekent dat eiser een schadevergoeding van € 1305,-- toekomt.
2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;
- kent aan eiser een schadevergoeding toe van € 1305,--;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-- te betalen aan de griffier van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2011.