ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8951
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring en asielverzoek met betrekking tot nationale veiligheid en artikel 3 EVRM
Eiser, een Russische nationaliteit dragende vreemdeling, werd ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een gevaar voor de nationale veiligheid. Diverse ambtsberichten van de AIVD vormden de basis voor deze besluiten, waarin werd gesteld dat eiser sympathisant was van de gewelddadige jihad en pogingen had ondernomen om deel te nemen aan gevechten in de Kaukasus.
Eiser voerde aan dat de ambtsberichten onvoldoende concreet waren en dat hij geen toegang had tot de onderliggende stukken, waardoor hij zijn verdediging niet adequaat kon voeren. De rechtbank oordeelde echter dat de ambtsberichten objectief, onpartijdig en inzichtelijk waren en dat eiser geen concrete aanknopingspunten had aangevoerd om aan de juistheid ervan te twijfelen. De rechtbank heeft de onderliggende stukken ingezien en vond dat deze de ambtsberichten ondersteunen.
Verder stelde eiser dat artikel 3 EVRM Pro zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Rusland vanwege het risico op onmenselijke behandeling. De rechtbank stelde vast dat eiser zich slechts een jaar en drie maanden in deze situatie bevond, wat niet als duurzaam kon worden aangemerkt volgens het geldende beleid en jurisprudentie.
De beroepen tegen de opheffing van de ongewenstverklaring en tegen de asielaanvraag werden niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang had bij deze procedures zolang de ongewenstverklaring van kracht bleef. Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep had beslist.
De rechtbank concludeerde dat eiser terecht als gevaar voor de nationale veiligheid werd aangemerkt en dat de procedures correct waren gevolgd, waarbij de rechten van eiser voldoende waren gewaarborgd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard; de beroepen tegen opheffing ongewenstverklaring en asielaanvraag worden niet-ontvankelijk verklaard; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.