ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4730
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen werknemer na ontslag op staande voet wegens vermoedens van fraude
De werknemer was sinds 2008 in dienst bij de werkgever en werd in maart 2011 op non-actief gesteld vanwege vermoedens van ernstige fraude en schending van de geheimhoudingsplicht. Na een onderzoek door een extern bureau en meerdere pogingen tot gesprek, werd de werknemer op 27 april 2011 op staande voet ontslagen. De werknemer betwistte de beschuldigingen en stelde dat het ontslag onrechtmatig was, mede vanwege ziekte en schending van het hoor en wederhoor.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet formeel en inhoudelijk voldoende was onderbouwd en dat de werkgever de werknemer voldoende gelegenheid had gegeven om te reageren. De vermeende fraude, waaronder een onduidelijke facturering van een dure lens, werd niet afdoende door de werknemer weerlegd. Het conservatoir beslag op de bankrekeningen en het appartementsrecht van de werknemer werd gehandhaafd, omdat de vordering van de werkgever niet ondeugdelijk leek en het beslag noodzakelijk was voor verhaal.
De vorderingen van de werknemer tot doorbetaling van loon, wedertewerkstelling en opheffing van het beslag werden afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis bevestigt dat een werkgever bij ernstige vermoedens van fraude en na een zorgvuldig onderzoek tot ontslag op staande voet kan overgaan, ook tijdens ziekte, mits de werknemer voldoende gelegenheid krijgt zich te verweren.
Uitkomst: De vorderingen van de werknemer worden afgewezen en het ontslag op staande voet wordt bevestigd.