ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7641
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding van minderjarigen naar Noorwegen na ongeoorloofde achterhouding in Nederland
De zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van twee minderjarigen naar Noorwegen, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden voordat zij door de moeder naar Nederland werden gebracht en daar werden achtergehouden zonder toestemming van de vader. De vader, met wie de minderjarigen gezamenlijk gezag hebben, verzocht de rechtbank om terugkeer op grond van het Haagse Verdrag.
De moeder voerde verweer op basis van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag en artikel 8 EVRM Pro, stellende dat er een ernstig risico op seksueel en lichamelijk misbruik door de vader zou zijn. De rechtbank stelde vast dat in Noorwegen uitgebreid onderzoek was gedaan en dat de Noorse justitie geen bewijs vond voor misbruik. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd afgewezen omdat de situatie niet vergelijkbaar was met de relevante jurisprudentie.
De rechtbank concludeerde dat de achterhouding in Nederland ongeoorloofd was en dat geen weigeringsgrond van toepassing was. Daarom werd de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Noorwegen gelast, uiterlijk op 8 april 2011. Tevens werd een vaststellingsovereenkomst opgenomen waarin partijen afspraken om het contact tussen vader en kinderen te herstellen onder begeleiding van een kinderpsychologe.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Noorwegen uiterlijk op 8 april 2011.