ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6086
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige in internationale kinderontvoeringszaak
In deze internationale kinderontvoeringszaak stond centraal of de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Frankrijk of Nederland lag. De moeder stelde dat de vader de minderjarige zonder haar toestemming uit Frankrijk had meegenomen, terwijl de vader betoogde dat de gewone verblijfplaats altijd in Nederland was geweest. De rechtbank beoordeelde de feitelijke omstandigheden, waaronder medische dossiers en schoolinschrijvingen, en concludeerde dat de minderjarige feitelijk in Nederland woonde.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de vader in strijd met het gezagsrecht van de moeder handelde, er geen sprake was van een ongeoorloofde overbrenging zoals bedoeld in het Haags Kinderontvoeringsverdrag, omdat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland lag. Hierdoor werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen. De rechtbank overwoog tevens dat de erkenning van het gezag door de vader in Frankrijk geen rechtsgevolgen had in Nederland, waar de moeder het eenhoofdig gezag uitoefent.
De procedure omvatte meerdere zittingen en stukken, waaronder een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut en pleitnotities van partijen. De rechtbank verwees de zaak van Rotterdam naar Den Haag vanwege specialisatie. De kostenveroordeling werd afgewezen omdat geen terugkeer werd gelast. De beslissing werd uitgesproken door drie kinderrechters op 27 januari 2011.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Frankrijk wordt afgewezen omdat de gewone verblijfplaats in Nederland ligt.