ECLI:NL:RBSGR:2010:BN8696

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/23860
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging op basis van artikel 8 EVRM

In deze zaak heeft de Rechtbank 's-Gravenhage op 20 september 2010 uitspraak gedaan in een geschil over de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging. Eiseres, een Somalische vrouw die in Ethiopië verbleef, had een aanvraag ingediend voor een mvv om zich te herenigen met haar echtgenoot, referent, die in Nederland verbleef. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig overwogen, waarbij zij zich baseerde op de relevante wetgeving en jurisprudentie, waaronder het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Abdulaziz, Cabales en Balkandali.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een feitelijk gezinsleven tussen eiseres en referent, zoals vereist onder artikel 8 van het EVRM. Eiseres had na haar huwelijk met referent bij haar vader gewoond en er was geen bewijs dat zij daadwerkelijk deel uitmaakte van het gezin van referent. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden, waaronder het feit dat eiseres en referent elkaar pas na een lange periode weer hadden ontmoet, niet voldoende waren om te concluderen dat er sprake was van een 'family life' in de zin van het EVRM. De rechtbank wees ook op de gezinsherenigingsrichtlijn, die geen verdergaande rechten voor eiseres met zich meebracht.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond, wat betekent dat de weigering van de mvv door de minister van Justitie werd bevestigd. De rechtbank benadrukte dat de rechten en beginselen die in de richtlijn zijn neergelegd, in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het EVRM, maar dat in dit geval de voorwaarden voor gezinshereniging niet waren vervuld. De uitspraak biedt inzicht in de toepassing van het vreemdelingenrecht en de bescherming van het familie- en gezinsleven onder het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 09/23860
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2010
inzake
{eiseres],
geboren op [datum],
nationaliteit Somalische,
verblijvende te Ethiopië,
eiseres,
gemachtigde mr. P.H. Hillen,
tegen
de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde mr. R.A.P.M. van der Zanden.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv) onder de beperking verband houdend met "gezinshereniging bij echtgenoot in het kader van nareis" niet in behandeling genomen.
Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 29 mei 2009 in zoverre gegrond verklaard dat buitenbehandelingstelling niet aan de orde had moeten zijn; voor zover het bezwaar is gericht tegen het niet voldoen aan de voorwaarden voor nareis, is het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 1 juli 2009 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 december 2009, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen de referent, de heer [referent] (hierna: referent). Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen eiseres voorafgaand aan en tijdens de zitting naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft, nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Zij heeft het onderzoek op 8 september 2010 gesloten.
Overwegingen
1. Aan de orde is de weigering om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
2. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan de referent is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) verleend. Op 4 april 2008 heeft referent een verzoek om advies omtrent de afgifte van een mvv ingediend. Op 8 mei 2008 is een negatief advies verstrekt. Op 13 augustus 2008 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een mvv ingediend bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Addis Abeba, met het oog op gezinshereniging bij echtgenoot (referent) in het kader van nareis.
3. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres, ondanks haar mogelijk huwelijk met referent, feitelijk deel is blijven uitmaken van het gezin van haar vader. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres reeds in het land van herkomst behoorde tot zijn gezin, noch is gebleken dat eiseres en referent niet in de gelegenheid zouden zijn geweest om invulling aan de uitoefening van het feitelijke gezinsleven vorm te geven. Eiseres voldoet derhalve niet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. Om die reden komt zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er voldoende bewijs is dat sprake is van een huwelijk tussen haar en referent. Voorts is aangegeven waarom er niet direct na de huwelijksvoltrekking is overgegaan tot het samenwonen van eiseres en referent. Met betrekking tot de eis van het moeten samenwonen verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 6 maart 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BH8909). In deze uitspraak is gemotiveerd aangegeven dat voor het moeten hebben van een gezinsband de eis van het feitelijk samenwonen niet mag worden gesteld. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 (de gezinsherenigingsrichtlijn). Uit artikel 4, eerste lid, onder a, van deze richtlijn volgt dat de echtgenoot van de gezinshereniger voor gezinshereniging in aanmerking komt, zonder dat daarvoor aanvullende eisen, zoals de verplichting tot samenwonen of de verplichting tot onderhoud, worden gesteld.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit een besluit is over de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000.
7. Voor verblijf hier te lande van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 13 van de Vw 2000. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om verlening van een mvv door verweerder te worden getoetst aan dezelfde criteria als die, welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van zodanige vergunning.
8. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, is verleend.
9. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van onder meer de bepaling in artikel 29, eerste lid, onder e en f – Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 29 en Handelingen II 1999-2000, pagina 5384 – valt af te leiden dat is bedoeld om haar in overeenstemming te brengen met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan de term “family life” in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gegeven. Het vereiste dat de echtgenote feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling moet dan ook in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM worden uitgelegd.
10. In zijn arrest in de zaak Abdulaziz, Cabales en Balkandali van 28 mei 1985 (NJ 1988, 187) heeft het EHRM betreffende artikel 8 van het EVRM overwogen:
“The Court recalls that, by guaranteeing the right to respect for family life, Art. 8 "presupposes the existence of a family" (see the Marckx judgment of 13 June 1979, NJ 1980, 462, para. 31). However, this does not mean that all intended family life falls entirely outside its ambit. Whatever else the word "family" may mean, it must at any rate include the relationship that arises from a lawful and genuine marriage, such as that contracted by Mr. and Mrs. Abdulaziz and Mr. and Mrs. Balkandali, even if a family life of the kind referred to by the Government has not yet been fully established. Those marriages must be considered sufficient to attract such respect as may be due under Art. 8.
Furthermore, the expression "family life", in the case of a married couple, normally comprises cohabitation. The latter proposition is reinforced by the existence of Art. 12, for it is scarcely conceivable that the right to found a family should not encompass the right to live together.
Mr. and Mrs. Cabales had gone through a ceremony of marriage and the evidence before the Court confirms that they believed themselves to be married and that they genuinely wished to cohabit and lead a normal family life. And indeed they subsequently did so. In the circumstances, the committed relationship thus established was sufficient to attract the application of Art. 8.”
11. Aan eiseres kan worden toegegeven dat uit bovengenoemd arrest moet worden afgeleid dat het feit dat twee personen die een wettig en oprecht huwelijk hebben gesloten, nog niet samenwonen of hebben samengewoond, niet in alle gevallen betekent dat hun relatie buiten de werkingssfeer van artikel 8 van het EVRM valt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder zich in dit geval op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM. Voor die conclusie acht de rechtbank doorslaggevend het feit dat eiseres na haar huwelijk met referent bij haar vader is blijven wonen. Haar vader heeft ook volledig in haar onderhoud voorzien. Ter zitting heeft referent gesteld dat er geen beletselen waren om na het huwelijk meteen te gaan samenwonen; uit respect voor de familie hebben eiseres en referent willen wachten totdat een bruiloftsfeest was gevierd. Daarvoor moest referents vader eerst het benodigde geld bij elkaar vinden. Er was geen duidelijk vooruitzicht wanneer dat feest zou plaatsvinden. Eiseres is met haar vader uit Mogadishu gevlucht; referent op een ander tijdstip met zijn vader. Bij toeval hebben referent en eiseres elkaar weer ontmoet op 3 mei 2007. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden geen sprake van een situatie waarin eiseres en referent, in de woorden van het EHRM in voornoemd arrest, “to a sufficient degree entered upon “family life” for the purposes of Art. 8”.
12. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de gezinsherenigingsrichtlijn geen verdergaande rechten voor eiseres met zich. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van deze richtlijn is bepaald dat de lidstaten uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in Hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming geven tot toegang en verblijf aan de echtgenoot van de gezinshereniger. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van deze richtlijn, voor zover hier van belang, kunnen de lidstaten het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden. In de tweede overweging van de considerans van de richtlijn is neergelegd dat in deze richtlijn de grondrechten en de beginselen in acht worden genomen die met name worden erkend in artikel 8 van het EVRM en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De overwegingen van de rechtbank in de voorgaande rechtsoverweging leiden de rechtbank dan ook tot de conclusie dat tussen eiseres en referent geen sprake is van werkelijk huwelijks- of gezinsleven in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 7 van het Handvest, waarin onder meer het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven is neergelegd, voert niet verder dan artikel 8 van het EVRM.
13. Het beroep is derhalve ongegrond.
14. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.
15. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als rechter in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2010.
<HR>
<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
Hoger beroep vreemdelingenzaken
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>
Afschriften verzonden: