ECLI:NL:RBSGR:2010:BN8505
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken redelijke termijn voor uitzetting
Eiser, een staatloze geboren in Nederland, verbleef negen maanden in vreemdelingenbewaring nadat hij door de Minister van Justitie was aangehouden wegens het ontbreken van verblijfsrecht. De uitzetting naar Turkije werd bemoeilijkt doordat eiser weigerde mee te werken aan het herkrijgen van de Turkse nationaliteit, een noodzakelijke stap voor uitzetting. De Turkse autoriteiten gaven aan geen laissez passer af te geven zonder medewerking van eiser.
De rechtbank overwoog dat hoewel de weigering tot medewerking de uitzetting bemoeilijkt, dit op zichzelf niet betekent dat de bewaring ongerechtvaardigd is zolang er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn blijft. Verweerder had voldoende inspanningen verricht om de uitzetting te realiseren, waaronder regelmatige contacten met Turkse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser.
Echter, na negen maanden bewaring, waarbij de belangen van eiser zwaarder wegen, en gezien zijn langdurige verblijf in Nederland, zijn persoonlijke omstandigheden en eerdere bewaring, oordeelde de rechtbank dat voortzetting van de bewaring niet langer redelijk was. Het beroep werd gegrond verklaard, de bewaring per direct opgeheven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn na negen maanden bewaring.