ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7770
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke sluiting pand en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige sluiting
De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot onmiddellijke sluiting en verzegeling van zijn pand op 14 juli 2006. Na eerdere procedures oordeelde de rechtbank dat het besluit onrechtmatig was omdat niet was aangetoond dat het pand als recreatie-inrichting werd gebruikt en dat de spoedeisendheid voor sluiting onvoldoende was onderbouwd.
Verweerder had een gedeeltelijke schadevergoeding toegekend, maar eiser vorderde een hogere vergoeding voor materiële en immateriële schade, waaronder huurderving. De rechtbank stelde vast dat een rechtmatig besluit voor de tweede en derde verdieping mogelijk was geweest met een begunstigingstermijn van vier weken, maar dat voor het souterrain en de begane grond geen rechtmatige sluitingsgrond bestond.
De rechtbank oordeelde dat eiser aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden door de sluiting, waaronder huurderving en schade aan het pand door dichttimmeren. De totale schadevergoeding werd vastgesteld op €12.808, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de sluitingsdatum. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank verwierp het beroep van verweerder dat alleen gederfde huurinkomsten van de tweede en derde verdieping voor vergoeding in aanmerking kwamen. Ook werd geen sprake geacht van overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het vonnis vernietigde de eerdere besluiten van 19 maart 2008 en 29 oktober 2009 en trad in hun plaats.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 12.808 schadevergoeding plus wettelijke rente.