ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8491
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatregel van vreemdelingenbewaring en hoortermijn volgens artikel 94 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de maatregel rechtmatig is en of het onderzoek ter zitting binnen de wettelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Hoewel eiser niet aanwezig was bij de eerste zitting op 15 februari 2010, werd hij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde die namens hem het woord voerde. De rechtbank oordeelt dat hierdoor tijdig aan het horen is voldaan in de zin van artikel 94, tweede lid, Vw 2000. De afwezigheid van eiser was het gevolg van een organisatorische fout, waarvoor noch eiser noch verweerder verantwoordelijk is. Eiser is een week later alsnog in persoon gehoord met behulp van een tolk.
De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van identiteitspapieren, het niet naleven van vertrektermijn en het ontbreken van middelen van bestaan, redelijk zijn en niet zonder nadere motivering kunnen worden verworpen. De vermeende ambtelijke misslag omtrent een datum van presentatie aan de Sudanese autoriteiten schaadt eiser niet, omdat het verzoek tot afgifte van een laissez passer tijdig is ingediend en de presentatie gepland staat.
Gelet op deze omstandigheden verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.C. Dijkstra op 26 februari 2010 en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.