ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3565
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring door onvoldoende voortvarende overdracht naar België
Eiser, een vreemdeling van Congolese nationaliteit, werd op 14 april 2009 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met het oog op uitzetting naar België. Op 21 april 2009 ontving verweerder het claimakkoord van de Belgische autoriteiten, waarna de overdracht gepland stond op 6 mei 2009. De rechtbank stelde vast dat de periode van negen werkdagen tussen het claimakkoord en de daadwerkelijke overdracht, rekening houdend met nationale feestdagen, onredelijk lang was.
De rechtbank volgde verweerder in zijn standpunt dat de Belgische autoriteiten drie werkdagen nodig hebben om de overdracht te organiseren, maar vond dat verweerder niet de vereiste voortvarendheid had betracht na ontvangst van het claimakkoord. Verweerder kon geen bijzondere omstandigheden aanvoeren die de vertraging rechtvaardigden. Hierdoor was de voortzetting van de bewaring vanaf 27 april 2009 niet langer gerechtvaardigd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring met ingang van 29 april 2009 en kende eiser een immateriële schadevergoeding toe van EUR 160,= voor de periode 27 tot 29 april 2009. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van EUR 644,=, te voldoen door de Staat der Nederlanden. De uitspraak werd gedaan door rechter M.I.J. Hegeman op 29 april 2009.
Uitkomst: De bewaring werd met ingang van 29 april 2009 opgeheven en eiser kreeg een schadevergoeding van EUR 160 toegekend wegens onvoldoende voortvarende overdracht.