ECLI:NL:RBSGR:2008:BH0223
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens ongewenstverklaring na lichte strafbare feiten
Verzoeker is ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij bij herhaling transactieaanbiedingen heeft aanvaard voor lichte strafbare feiten. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze ongewenstverklaring en verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij de uitzetting kan afwachten in Nederland.
De voorzieningenrechter overweegt dat een ongewenstverklaring een zeer belastende maatregel is die een zorgvuldige belangenafweging vereist, waarbij de ernst van de normschending en de persoonlijke omstandigheden van verzoeker meewegen. Gezien de lichte aard van de strafbare feiten en het grote belang van verzoeker om het bezwaar in Nederland af te wachten, weegt dit zwaarder dan het belang van verweerder bij uitzetting.
Ook wordt betrokken dat verzoekers vriendin, tevens aanstaande echtgenote, mogelijk bezwaren heeft tegen het opbouwen van een nieuw leven in Afghanistan. De voorzieningenrechter wijst op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die bij lichte vergrijpen minder zwaar tilt aan de inbreuk op de openbare orde.
Daarom wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en wordt uitzetting opgeschort tot op de beslissing op bezwaar. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en wordt de Staat der Nederlanden aangewezen als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot schorsing van uitzetting toe tot op de beslissing op bezwaar.