ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9119

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/23224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbArt. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 59 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn

Eiser is op 22 januari 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere ongegronde beroepen tegen de bewaring, heeft eiser bij beroepschrift van 27 juni 2008 beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel en tevens schadevergoeding gevorderd. De zaak is behandeld op 15 juli 2008.

Eiser stelde dat er geen concreet en reëel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de geplande presentatie bij de Soedanese autoriteiten op 24 juni 2008 was geannuleerd en er geen nieuwe datum bekend was. Verweerder stelde dat hij voldoende voortvarend handelde en dat de presentatie slechts was uitgesteld, waarbij hij afhankelijk was van de Soedanese autoriteiten.

De rechtbank overwoog dat de bewaring inmiddels bijna zes maanden duurde en dat het ontbreken van een nieuwe presentatiedatum en het feit dat de presentatie was geannuleerd, betekende dat er geen reëel zicht op uitzetting was. Dit oordeel bleef staan ondanks de afhankelijkheid van verweerder van de Soedanese autoriteiten. De voortzetting van de bewaring was daarmee in strijd met artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de bewaring per 17 juli 2008 en wees een proceskostenvergoeding van €644 toe aan eiser. Een schadevergoeding werd niet toegekend omdat de vertraging niet aan verweerder te wijten was.

Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens het ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/23224
V-nr.: [nummer]
inzake:
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1983, van (gestelde) Soedanese nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot te Dordrecht, eiser,
gemachtigde: mr. L.M. Weber, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 22 januari 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Eerdere beroepen gericht tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel zijn door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard, laatstelijk bij uitspraak van 19 juni 2008.
Bij beroepschrift van 27 juni 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 15 juli 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is niet gerechtvaardigd. Er is geen sprake van een reëel en concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens verweerder zou eiser op 24 juni 2008 in persoon bij de Soedanese autoriteiten worden gepresenteerd. Deze presentatie is echter geannuleerd en niet is gebleken dat er een nieuwe presentatie voor eiser bij voornoemde autoriteiten is gepland. Op dit moment is er in ieder geval geen enkel traject aanhangig ter verkrijging van een laissez-passer (lp) voor eiser. Voorts is het niet inzichtelijk wat de status is van diverse lp-aanvragen bij de Soedanese autoriteiten en hoe de betrekkingen zijn tussen verweerder en de diplomatieke vertegenwoordiging.
Verweerder heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is gerechtvaardigd. Verweerder handelt voldoende voortvarend en er is sprake van zicht op uitzetting. Op 13 juni 2008 is een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De geplande presentatie in persoon van eiser bij de Soedanese autoriteiten is om onbekende reden door voornoemde autoriteiten geannuleerd. Verweerder is thans in afwachting van een nieuwe presentatiedatum. Hierin is verweerder afhankelijk van de Soedanese autoriteiten. Verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld om deze nieuwe presentatie af te wachten.
De rechtbank overweegt het volgende.
De vrijheidsontnemende maatregel duurt inmiddels bijna zes maanden. Thans dient te worden beoor¬deeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
In haar uitspraak van 24 juni 2008, AWB 08/19336, waarbij eveneens in geschil was of eiser in persoon zou worden gepresenteerd bij de Soedanese autoriteiten, heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat uit het feit dat eiser niet op een lijst bij de Soedanese autoriteiten stond geregistreerd, niet kon worden afgeleid dat de geplande presentatie voor eiser op 24 juni 2008 geen doorgang zou vinden en dat verweerder vooralsnog in de gelegenheid gesteld diende te worden om deze presentatie af te wachten. Thans is gebleken dat de geplande presentatie om voor verweerder onbekende reden door de Soedanese vertegenwoordiging is geannuleerd. Voorts heeft verweerder desgevraagd niet kunnen aangeven op welke termijn er een nieuwe presentatiedatum voor eiser gepland zal worden en evenmin of de Soedanese autoriteiten recentelijk nog lp’s hebben verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Gelet op vorenstaande is de rechtbank met eiser van oordeel dat thans geen sprake is van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Aan dit oordeel doet niet af dat verweerder afhankelijk is van de medewerking van de Soedanese autoriteiten.
Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 16 juli 2008.
De rechtbank ziet geen aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw 2000. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het niet aan verweerder is te wijten dat de geplande presentatie van eiser bij de Soedanese autoriteiten op 24 juni 2008 geen doorgang heeft gevonden.
Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt dat de bewaring ingaande 17 juli 2008 wordt opgeheven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2008 door mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.