ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9119
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser is op 22 januari 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere ongegronde beroepen tegen de bewaring, heeft eiser bij beroepschrift van 27 juni 2008 beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel en tevens schadevergoeding gevorderd. De zaak is behandeld op 15 juli 2008.
Eiser stelde dat er geen concreet en reëel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de geplande presentatie bij de Soedanese autoriteiten op 24 juni 2008 was geannuleerd en er geen nieuwe datum bekend was. Verweerder stelde dat hij voldoende voortvarend handelde en dat de presentatie slechts was uitgesteld, waarbij hij afhankelijk was van de Soedanese autoriteiten.
De rechtbank overwoog dat de bewaring inmiddels bijna zes maanden duurde en dat het ontbreken van een nieuwe presentatiedatum en het feit dat de presentatie was geannuleerd, betekende dat er geen reëel zicht op uitzetting was. Dit oordeel bleef staan ondanks de afhankelijkheid van verweerder van de Soedanese autoriteiten. De voortzetting van de bewaring was daarmee in strijd met artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de bewaring per 17 juli 2008 en wees een proceskostenvergoeding van €644 toe aan eiser. Een schadevergoeding werd niet toegekend omdat de vertraging niet aan verweerder te wijten was.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens het ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.