ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8805
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting minderjarige
Eiser, een minderjarige met de Algerijnse nationaliteit, werd in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van een identiteitsdocument, geen vaste woon- of verblijfplaats, niet aanmelden bij de korpschef en verdenking van een strafbaar feit. De rechtbank stelde vast dat de verdenking van een misdrijf niet terecht was omdat het ging om een overtreding, maar dat de overige gronden de bewaring konden dragen.
De rechtbank benadrukte dat bij minderjarige vreemdelingen een hogere mate van voortvarendheid vereist is. Hoewel eiser op 12 en 13 juli 2008 is gehoord, was hij na overplaatsing naar een jeugdinrichting nog niet gehoord en was er nog geen uitzettingstraject gestart na 14 dagen bewaring. Dit werd als onvoldoende voortvarendheid beoordeeld.
De rechtbank volgde een lijn die stelt dat voortvarendheid een wettelijk vereiste is voor voortzetting van bewaring met het oog op uitzetting, en dat bij gebrek daaraan geen belangenafweging meer mogelijk is. Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens werd bevestigd dat detentie alleen is toegestaan zolang uitzettingsprocedures met de vereiste voortvarendheid worden uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de maatregel vanaf 24 juli 2008 in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en besloot de bewaring op te heffen per 25 juli 2008. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €644,-.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting van de minderjarige.