ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3750
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 15 januari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft meerdere keren uitspraak gedaan over het voortduren van deze maatregel. In het onderhavige beroep stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het verkrijgen van reisdocumenten en het rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank constateert dat tussen rappels bij de Algerijnse autoriteiten een termijn van zes weken is verstreken, zonder dat verweerder hiervoor een rechtvaardiging heeft gegeven. Dit is in strijd met het vereiste van voortvarendheid, dat wettelijk is voorgeschreven voor het voortduren van de bewaring. Het enkele voeren van vertrekgesprekken met eiser ontslaat verweerder niet van de plicht om tijdig te rappelleren.
Verweerder heeft betoogd dat alsnog op 29 april 2008 is gerappelleerd, maar deze informatie is te laat en in strijd met de goede procesorde aan de rechtbank verstrekt, zodat deze niet wordt betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeert dat de bewaring onrechtmatig is en beveelt de opheffing ervan met ingang van 9 juni 2008.
Daarnaast kent de rechtbank aan eiser een schadevergoeding toe voor de periode van onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting.