ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6549
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- B. van Velzen
- M.A.C. Prins
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting van etnische Armeniër met Azerbeidzjaanse nationaliteit
Eiser, een etnische Armeniër met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, werd op 21 mei 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting omdat de Azerbeidzjaanse autoriteiten nooit een laissez passer verstrekken aan etnische Armeniërs. Verweerder stelde aanvankelijk dat eiser zijn nationaliteit en etniciteit niet had aangetoond, maar aanvaardde dit later.
De rechtbank overwoog dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State weliswaar stelden dat zicht op uitzetting niet ontbrak, maar dat recente feiten, zoals het ontbreken van verstrekte laissez passers aan etnische Armeniërs sinds 1997 en het ontbreken van etnische Armeense mannen jonger dan zestig jaar in Azerbeidzjan, dit tegenspreken. Verweerder kon geen concrete aanwijzingen geven dat de situatie was verbeterd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende bewijs had geleverd dat er zicht was op uitzetting van eiser naar Azerbeidzjan. Ook vond de rechtbank het onredelijk om van eiser te verlangen dat hij Armeens staatsburgerschap zou aanvragen. De bewaring werd daarom onrechtmatig geacht.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €2.825 voor de periode van detentie en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €966. De bewaring werd onmiddellijk opgeheven.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken van zicht op uitzetting en kent een schadevergoeding toe.