ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6178
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige wegens gewone verblijfplaats in Nederland
De zaak betreft een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van een minderjarige naar de Verenigde Staten, waar de moeder woont. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en hadden een regeling getroffen waarbij de minderjarige vanaf medio augustus 2007 in Amerika zou gaan wonen. Deze regeling is echter niet uitgevoerd; de minderjarige verbleef na november 2005 uitsluitend in Nederland bij de vader.
De rechtbank oordeelt dat het begrip gewone verblijfplaats een feitelijk begrip is, gebaseerd op de omstandigheden en de feitelijke situatie van het kind. Gezien het feit dat de minderjarige in Nederland is geboren, daar altijd heeft gewoond en slechts kort in Amerika verbleef, is Nederland zijn gewone verblijfplaats. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van ongeoorloofde vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Haags Verdrag.
De Centrale Autoriteit had gesteld dat de vader de terugkeer weigerde en daarmee in strijd handelde met het gezagsrecht, maar de rechtbank acht de vader niet gehouden tot terugkeer omdat de feitelijke situatie anders is dan de regeling voorschreef. Het verzoek tot teruggeleiding wordt daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Amerika wordt afgewezen omdat diens gewone verblijfplaats in Nederland is.