ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2187
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting
Eiser is op 16 november 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerdere beroepen tegen deze bewaring werden ongegrond verklaard. Op 9 april 2008 stelde eiser beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelt of er voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser. Eiser is ongedocumenteerd en beschikt niet over zijn paspoort, identiteitskaart of hukou. Uit eerdere uitspraken blijkt dat in 2007 geen laissez passers aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen zijn verstrekt. Verweerder erkent dat de Chinese autoriteiten geen reisdocumenten afgeven zonder documenten, maar stelt dat eiser verantwoordelijk is voor het verkrijgen daarvan.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet concreet heeft aangetoond dat eiser redelijkerwijs over documenten kan beschikken. Eiser heeft geen contact met familie en heeft zijn documenten moeten afgeven aan een reisagent. Hierdoor ontbreekt reëel zicht op uitzetting en heeft de bewaring het karakter van gijzeling gekregen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de bewaring met ingang van 29 januari 2008 en wijst een schadevergoeding van € 1.400 toe. Tevens worden de proceskosten van € 805 toegewezen aan eiser.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van reëel zicht op uitzetting en eiser ontvangt een schadevergoeding.