ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2796
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens onvoldoende aannemelijk risico schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Afghanistan
Eiser, voormalig voorzitter van de commissie Bestrijding Verdovende Middelen bij de DVPA in Afghanistan, vreesde vanwege zijn activiteiten en vijanden in de drugssmokkel een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan. Hij stelde dat voormalige Talibs en drugssmokkelaars hem zouden willen benadelen en overhandigde diverse documenten ter onderbouwing, waaronder een fatwa uit 1984 en verklaringen van bewoners.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete feiten had aangevoerd die een acute en reële dreiging aantonen. De verstreken tijd sinds zijn actieve periode en het ontbreken van actuele dreiging maakten de vrees onvoldoende aannemelijk. Ook de medische situatie van eiser, met een depressieve stoornis, werd niet als bijzondere omstandigheid erkend die uitzetting zou verbieden.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank bevestigde dat het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro niet concreet genoeg was en dat eerdere intrekkingen van verblijfsvergunningen en ongewenstverklaringen rechtmatig waren. De rechtbank stelde dat de stukken van eiser onvoldoende specifiek waren en dat de achtergrond van moorden op familieleden na zijn vertrek onduidelijk bleef.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk risico op schending van artikel 3 EVRM.