Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4271

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/14036
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:70 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie ondanks tekortschieten inspanningsverplichting

Eiser verbleef vanaf oktober 2001 in strafrechtelijke detentie en werd op 30 maart 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde dat de Staatssecretaris niet aan zijn inspanningsverplichting had voldaan om te voorkomen dat hij na detentie in bewaring zou worden gesteld, en dat hij niet uitzetbaar was.

De Staatssecretaris voerde aan dat weliswaar de inspanningsverplichting pas twee maanden voor afloop van de strafrechtelijke detentie was gestart, maar dat dit gezien de complexiteit van de identiteitsonderzoeken begrijpelijk was. Tevens werd gesteld dat eiser zelf geen medewerking had verleend aan zijn uitzetting.

De rechtbank stelde vast dat de inspanningsverplichting inderdaad te laat was aangevangen, maar dat de bewaring niet onrechtmatig was omdat de belangen van de openbare orde en nationale veiligheid zwaarder wegen dan de tekortkoming. Eiser is ongewenst verklaard, veroordeeld voor ernstige misdrijven, en heeft geen identiteitspapieren of vaste verblijfplaats.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank gaf de Staatssecretaris de gelegenheid het onderzoek naar identiteit en nationaliteit bij de Libanese autoriteiten af te wachten, mede gezien de recente presentatie van eiser bij deze autoriteiten.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard; de bewaring is rechtmatig ondanks het te laat starten van de inspanningsverplichting.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.:AWB 07/14036
V-nr.:802.044.9850
inzake:[eiser], geboren op [geboortedatum] 1961, van (gestelde) Libanese nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, eiser,
gemachtigde: mr. M. Hersman, advocaat te Amsterdam,
tegen:de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. W.R. Rohlof, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 30 maart 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 30 maart 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
De oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig. Eiser heeft vanaf oktober 2001 in strafrechtelijke detentie verbleven. Verweerder heeft gedurende deze detentie niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Voorts is eiser niet uitzetbaar. Eiser heeft reeds verschillende malen in vreemdelingenbewaring gezeten en hij is tevens verschillende malen bij de Libanese en andere autoriteiten gepresenteerd. Deze presentaties hebben echter niets opgeleverd. Eiser wil Nederland verlaten en is voornemens om zelfstandig naar Spanje te vertrekken.
Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
De oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is rechtmatig. Eiser heeft gedurende lange tijd in strafrechtelijke detentie verbleven. Verweerder heeft gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser wel handelingen ter fine van de uitzetting van eiser verricht. Deze handelingen zijn echter niet opgenomen in het dossier van eiser. Op 1 februari 2007 is eiser gelicht voor een identiteitsgehoor. Tijdens dit gehoor zijn een nationaliteitsverklaring en een aanvraag voor een laissez-passer (lp) ingevuld. Vervolgens is eiser op 3 april 2007 in persoon bij de Libanese autoriteiten gepresenteerd. Eerdere acties van verweerder zouden zinloos zijn geweest gezien de geldigheidsduur van een lp van één maand.
Eiser heeft gedurende zijn strafrechtelijke detentie zelf geen enkele handeling verricht ter fine van zijn uitzetting. Indien eiser zijn medewerking zal verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit is de kans aannemelijk dat de Libanese autoriteiten een lp voor eiser zullen afgeven.
Voor het geval dat de rechtbank meent dat verweerder niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan, dient een belangenafweging te worden gemaakt, die gezien de justitiële documentatie van eiser in het voordeel van verweerder uitvalt.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
Eiser heeft niet bestreden dat hij geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft.
Eiser heeft evenmin bestreden dat het belang van de openbare orde de bewaring vordert.
Op grond van het bepaalde in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 rust er op verweerder een inspanningsverplichting om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2003 (JV 2003/179) dient beoordeeld te worden of verweerder aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan en zo dit niet het geval is of deze schending de bewaring onrechtmatig maakt.
Niet in geschil is dat eiser een lange vrijheidsstraf heeft ondergaan en dat de expiratiedatum aan verweerder bekend was. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder gedurende eisers strafrechtelijke detentie handelingen ter voorbereiding van zijn uitzetting heeft verricht. Ter zitting heeft verweerder echter medegedeeld dat eiser op 1 februari 2007 is gelicht voor een identiteitsgehoor en dat ter gelegenheid daarvan een nationaliteitsverklaring en een lp-aanvraag zijn ingevuld. Hieruit volgt dat verweerder pas vanaf 1 februari 2007, derhalve ongeveer twee maanden voor afloop van eisers vrijheidsstraf, een aanvang heeft gemaakt met zijn inspanningsverplichting. Gezien de problemen die zich bij de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit in het verleden hebben voorgedaan, lag het voor de hand dat een termijn van twee maanden te kort zou zijn om een lp ten behoeve van zijn uitzetting te verkrijgen. Verweerder is derhalve tekort geschoten in zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld zou worden. Deze schending van verweerders inspanningsverplichting maakt evenwel de bewaring niet onrechtmatig. De met de bewaring gediende belangen staan in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Eiser is ongewenst verklaard, is veroordeeld terzake diverse misdrijven, waaronder ernstige, beschikt niet over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft zich niet aangemeld bij de korpschef, zodat aannemelijk kan worden geacht dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de met de bewaring gediende belangen meer gewicht dient toe te komen dan aan de belangen van eiser.
De stelling van eiser dat er geen sprake is van zicht op uitzetting omdat eiser niet uitzetbaar is, volgt de rechtbank niet. De stukken die eiser ter zitting heeft overgelegd met betrekking tot het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit bij de Libanese autoriteiten dateren uit 1991 en 1992, derhalve van ruim vijftien jaar geleden. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat de contacten met de Libanese autoriteiten thans goed zijn en dat de kans aannemelijk is dat voor eiser een lp zal worden afgegeven, indien hij zijn medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Voorts is eiser op 3 april 2007 in persoon bij de Libanese autoriteiten gepresenteerd. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder vooralsnog in de gelegenheid gesteld dient te worden om het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser bij de Libanese autoriteiten af te wachten.
Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2007 door mr. G.S. Crince le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
Afschrift verzonden op:
Conc.: ML
Coll:
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.