ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0534
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiseres, een Chinese nationaliteit, werd op 19 januari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf, vaste woonplaats, aanmelding bij de korpschef en middelen van bestaan. De rechtbank beoordeelde of de bewaring rechtmatig was en of er een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond.
De rechtbank stelde vast dat het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte laissez passers in 2006 sterk was gedaald tot 2 à 3%, waardoor niet op voorhand van een reëel zicht op uitzetting kon worden gesproken. Verweerder kon niet onderbouwen dat het verstrekken van volledige en juiste gegevens door eiseres de kans op uitzetting zou vergroten. De rechtbank achtte een termijn van twee weken redelijk voor verweerder om aannemelijk te maken dat reëel zicht op uitzetting aanwezig was.
Verweerder slaagde hier niet in, ondanks dat eiseres volledige informatie had verstrekt en haar aanvraag in behandeling was genomen. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2007 onrechtmatig was en verklaarde het beroep gegrond. De bewaring werd opgeheven per 2 maart 2007. Tevens werd eiseres een schadevergoeding van €1890,00 toegekend voor de periode van 3 februari tot en met 1 maart 2007, en werden de proceskosten van €322,00 aan haar vergoed.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring werd opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en eiseres kreeg een schadevergoeding toegekend.