ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ9078
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag mineralenheffing 1999 wegens onvoldoende bewijs minder fosfaataanvoer
Eiser, een landbouwer met een bedrijf nabij pluimveestallen, kreeg een naheffingsaanslag mineralenheffing opgelegd voor het jaar 1999 wegens vermeende overschrijding van de fosfaatvrijstelling. Verweerder stelde dat eiser ten minste 6807 kg fosfaat had aangevoerd, terwijl eiser betoogde dat dit minder dan 4300 kg was.
De rechtbank stelde vast dat slechts één afleveringsbewijs was opgemaakt terwijl er circa 17 mestleveringen hadden plaatsgevonden, wat een administratieve verplichting schond. De rechtbank oordeelde dat eiser niet overtuigend had aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist was en dat verweerder op basis van diverse stukken, waaronder verklaringen en een extern controle rapport, de hoeveelheid mest redelijk had geschat op circa 400 ton.
De rechtbank verwierp de verklaring van eiser en de nadien afgelegde getuigenverklaring die afweek van eerdere verklaringen. De analyse van het monster was niet betwist. Op grond hiervan werd de belastbare hoeveelheid fosfaat niet te hoog vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag mineralenheffing 1999 wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van minder fosfaataanvoer.