ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3487
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging opvang vreemdeling wegens onvoldoende motivering medische situatie
Verzoeker, een vreemdeling met een complexe medische voorgeschiedenis, kreeg op 19 juli 2001 opvang op humanitaire gronden. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzocht op 20 juli 2001 het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) om opvang te verlenen onder artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie.
In 2006 besloot verweerder de opvang te beëindigen, stellende dat het Bureau Medische Advisering (BMA) op 31 oktober 2001 had geconcludeerd dat verzoeker in staat was te reizen, en dat er geen acute medische noodsituatie meer bestond. Verzoeker stelde dat de beëindiging onvoldoende was gemotiveerd en dat de medische situatie sinds 2001 niet op adequate wijze was beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat het BMA-advies alleen niet toereikend was om de opvang te beëindigen, aangezien de oorspronkelijke opvang niet gebaseerd was op het niet kunnen reizen, noch op een acute medische noodsituatie. Verweerder had niet duidelijk gemaakt dat de medische situatie van verzoeker sinds 2001 wezenlijk was veranderd.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de opvang is vernietigd wegens onvoldoende motivering van de wijziging in de medische situatie van verzoeker.