ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2546
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning op grond van driejarenbeleid wegens onjuiste toepassing artikel 119 Vreemdelingenwet 2000
Eiser diende op 8 januari 1999 een aanvraag in om toelating als vluchteling en diende op 27 oktober 1999 een bezwaarschrift in tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Het besluit van 18 december 2001 verklaarde het bezwaar ongegrond en werd aangemerkt als een beslissing op bezwaar, waarbij werd geoordeeld dat artikel 119, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van toepassing was, waardoor artikel 82 Vw Pro 2000 niet van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat dit onjuist is omdat het besluit van 18 december 2001 voor het eerst materieel op de asielaanvraag beslist, ondanks dat het de vorm van een beslissing op bezwaar heeft. Een letterlijke toepassing van artikel 119 lid 2 zou Pro ertoe leiden dat eiser, die rechtsmiddelen inzette tegen trage besluitvorming, in een nadelige positie zou komen ten opzichte van vreemdelingen die niet ageerden.
De rechtbank stelt vast dat eiser rechtmatig verblijf had gedurende de relevante periode en daarmee drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd voor het driejarenbeleid. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon voor vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij eiser recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.