ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7956
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Centrale Autoriteit inzake teruggeleiding minderjarige kinderen na kinderontvoering
De zaak betreft een bezwaarschrift van de vader tegen het besluit van de Centrale Autoriteit om zijn verzoek tot teruggeleiding van minderjarige kinderen, die door de moeder zonder zijn toestemming naar Nederland zijn gebracht, niet in behandeling te nemen. De moeder en kinderen verblijven sinds augustus 2005 in Nederland met een verblijfsvergunning asiel.
De Centrale Autoriteit baseerde haar besluit op de weigeringsgrond uit artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Haags Verdrag, omdat volgens een beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de kinderen bij terugkeer een reëel risico lopen op foltering of vernederende behandeling, waaronder besnijdenis. De vader betwist deze risico’s en stelt dat hij niet gehoord is in de asielprocedure en dat de moeder verantwoordelijk is voor de besnijdenissen.
De rechtbank oordeelt dat de Centrale Autoriteit haar besluit niet voldoende heeft gemotiveerd en dat de vader recht heeft op een volledige toetsing van het verzoek. De enkele verwijzing naar de asielbeschikking en algemene rapporten is onvoldoende, temeer daar de vader gemotiveerd betwist dat de kinderen risico lopen. De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat de Centrale Autoriteit vóór 31 augustus 2006 een nieuw verzoek tot teruggeleiding moet indienen na nader onderzoek.
De rechtbank benadrukt dat de centrale autoriteit een verzoek tot teruggeleiding dient in te dienen indien het verzoek niet onbegrijpelijk is of van elke grond is ontbloot, waarna de rechter de inhoudelijke beoordeling doet. De procedure moet spoedig worden afgerond, met respect voor de rechten van partijen.
Uitkomst: Het besluit van de Centrale Autoriteit wordt vernietigd en zij wordt verplicht binnen de gestelde termijn een verzoek tot teruggeleiding in te dienen.