ECLI:NL:RBSGR:2006:AX9282
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning zeeman zonder geldige mvv
Eiser, van Kaapverdische nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier aan voor het zoeken van arbeid aan boord van een Nederlands zeeschip. De aanvraag werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Volgens artikel 3.71, tweede lid, onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 geldt een vrijstelling van het mvv-vereiste alleen voor zeelieden met een arbeidsverleden van ten minste zeven jaar op een Nederlands zeeschip. Eiser had korter gewerkt en voerde aan dat dit onderscheid onredelijk en discriminerend was.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid op redelijke en objectieve gronden berust en geen strijd oplevert met artikel 26 IVBPR Pro. Ook werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangetoond. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder niet had beslist op het verzoek van eiser om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, wat in strijd is met artikel 7:15, derde lid, Awb. Dit deel van het besluit werd vernietigd.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van het beroep en bepaalde dat de overige rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor het niet beslissen op het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand; het overige beroep is ongegrond verklaard.