ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5494
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens vermeende onjuiste gegevens niet gerechtvaardigd
Eiser, een Iraakse asielzoeker, kreeg een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd toegekend na een asielprocedure in Nederland. Verweerder trok deze vergunning in op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens en het verzwijgen van belangrijke informatie, met name over de vermeende verlenging van het Iraakse paspoort en tegenstrijdige verklaringen over zijn huwelijk.
De rechtbank stelde vast dat de verlenging van het paspoort vals was en pas na de verlening van de verblijfsvergunning had plaatsgevonden, wat volgens artikel 35, eerste lid, aanhef en sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet tot intrekking kan leiden. Daarnaast vond de rechtbank dat het verzwijgen van het huwelijk, hoewel onjuist en tegenstrijdig, onvoldoende grond bood voor intrekking.
Verweerder had geen nader onderzoek verricht naar de verklaring van de Iraakse ambassade die de valsheid van de paspoortverlenging bevestigde. De rechtbank oordeelde dat het besluit in strijd was met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het besluit. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, rekening houdend met deze uitspraak.
Tot slot werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €644. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd.