ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4463

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/3506 BESLU
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:77 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking gedoogbeschikking recreatie-inrichting

Eiser was eigenaar van een recreatie-inrichting waar softdrugs werden verkocht onder een gedoogbeschikking van 18 oktober 1995. Verweerder besloot op 24 juli 2001 de inrichting voor negen maanden te sluiten en de gedoogbeschikking in te trekken. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.

De rechtbank had in een eerdere uitspraak van 7 oktober 2003 het beroep van eiser deels gegrond verklaard en de intrekking van de gedoogbeschikking vernietigd. Naar aanleiding daarvan verzocht eiser om heroverweging, maar verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk op grond van een jurisprudentielijn dat intrekking van een gedoogbeschikking geen besluit in de zin van de Awb zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde en dat hij gebonden is aan de eerdere uitspraak die gezag van gewijsde heeft. Verweerder had hoger beroep kunnen instellen maar deed dat niet. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2004 wordt vernietigd met opdracht tot een nieuwe inhoudelijke beslissing.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 04/3506 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de burgemeester van Den Haag verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 18 oktober 1995 heeft verweerder de recreatie-inrichting, gevestigd in het pand aan de Herenstraat 23a te Den Haag, aangemerkt als bestaand verkooppunt van softdrugs (hierna: de gedoogbeschikking). Eiser was sedert 1 oktober 1999 eigenaar van de recreatie-inrichting "van 8 tot 4", gevestigd in voormeld perceel. Bij besluit van 3 maart 2000 heeft verweerder aan eiser vergunning verleend voor het oprichten, uitbreiden wijzigen en drijven van de recreatie-inrichting.
Bij besluit van 24 juli 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat
I. de recreatie-inrichting met ingang van 1 augustus 2001 voor een periode
van negen maanden zal worden gesloten, en
II. de gedoogbeschikking van 18 oktober 1995 voor de verkoop van softdrugs in de recreatie-inrichting wordt ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 juli 2001 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 21 maart 2002 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 april 2002 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2003 (AWB 02/1640 BESLU) is eisers beroep, voorzover gericht tegen de bij bovengenoemd besluit gehandhaafde intrekking van de gedoogbeschikking, gegrond verklaard onder vernietiging van het desbetreffende gedeelte van het besluit en is het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft eiser verweerder bij brief van 23 maart 2004 verzocht opnieuw een beslissing op zijn bezwaar te willen nemen.
Bij besluit van 14 juli 2004 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar van eiser tegen de intrekking van de gedoogbeschikking niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 augustus 2004, ingekomen bij de rechtbank op 16 augustus 2004, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 21 september 2004, in plaats van het indienen van een verweerschrift, bij wijze van verweer volstaan met verwijzing naar het advies van de Adviescommissie.
De zaak is op 3 maart 2005 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.C.V. Mans, advocaat te Leiden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[betrokkene]. Tevens was ter zitting aanwezig mr. B. Magnin.
Standpunt van partijen
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 juni 2002 (AB 2002, 219) en van 23 maart 2003 (reg. nr. 200305024/1), op het standpunt gesteld dat de intrekking van een gedoogbeschikking als de onderhavige in de regel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb kan worden aangemerkt. Een dergelijke beslissing houdt slechts de mogelijkheid in dat het betrokken bestuursorgaan handhavend zal optreden en roept derhalve geen rechtsgevolgen in het leven. Daarvan is eerst sprake wanneer tot handhavend optreden wordt besloten. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de intrekking van de gedoogbeschikking daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de uit de uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2003 voortvloeiende vernietiging van de beschikking op bezwaar van 21 maart 2002 bij het thans bestreden besluit ten onrechte niet heeft geleid tot een inhoudelijke heroverweging van het primaire besluit van 24 juli 2001 wat betreft de intrekking van de gedoogbeschikking. De door de Afdeling in 2002 geïntroduceerde jurisprudentielijn, inhoudende dat de intrekking van een gedoogbeschikking niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, ziet niet op dit geval. Het primaire besluit is genomen voordat er sprake was van deze jurisprudentie, zodat het moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Dit besluit heeft een punitief karakter en dient daarom ingevolge vaste jurisprudentie in bezwaar ex tunc te worden getoetst. Eiser is voorts van mening dat het achterwege blijven van een inhoudelijke heroverweging in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op de inhoud van de uitspraak van 7 oktober 2003 zou alleen een gegrondverklaring van het bezwaar op zijn plaats zijn geweest. Eiser twijfelt aan de waarde van een rechterlijke uitspraak, wanneer een bestuursorgaan de negatieve gevolgen ervan niet voor zijn rekening neemt. Tenslotte stelt eiser dat verweerder in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM heeft gehandeld. Uit de uitspraak van het EHRM van 22 mei 2003 (AB 2004, 172) vloeit voort dat een bestuursorgaan de inhoud van een rechterlijke uitspraak dient te respecteren, met alle daaraan verbonden gevolgen. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar getuigt niet van een dergelijk respect.
Oordeel
De rechtbank stelt vast dat eisers beroep tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2002 tot handhaving in bezwaar van de intrekking van de gedoogbeschikking van 18 oktober 1995 bij uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2003 gegrond is verklaard en genoemd besluit is vernietigd. De rechtbank heeft hiertoe - samengevat weergegeven - overwogen dat verweerder zonder deugdelijke motivering in afwijking van zijn beleid ter zake de gedoogbeschikking heeft ingetrokken.
Gezien de motivering van het thans bestreden besluit was verweerder kennelijk van oordeel dat de uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2003 in het licht van de door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 4 juni 2002 en 24 maart 2003 niet juist was. Tegen deze uitspraak heeft verweerder echter geen hoger beroep ingesteld, zodat er vanuit moet worden gegaan dat verweerder daarin heeft berust. Deze uitspraak heeft daarom gezag van gewijsde verkregen.
Nu deze uitspraak onherroepelijk is geworden brengt verweerders berusting daarin in beginsel mee dat verweerder verplicht is aan deze uitspraak uitvoering te geven. Een uitzondering op deze regel doet zich slechts dan voor, indien een uitspraak onuitvoerbaar is (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2004, JV 2005, 58). Daarvan is in dit geval niet gebleken. In de door verweerder bij het bestreden besluit gevolgde vaste jurisprudentie van de Afdeling inhoudend dat de intrekking van een gedoogbeschikking in beginsel geen voor bezwaar op grond van de Awb vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2003 onuitvoerbaar is. Verweerder was of had bekend kunnen zijn met deze jurisprudentie toen hij kennis nam van de uitspraak van 7 oktober 2003 na de verzending daarvan op 15 oktober 2003. Derhalve had van verweerder mogen worden verwacht dat hij zijn in het thans bestreden besluit op basis van die jurisprudentie ingenomen standpunt met betrekking tot het rechtskarakter van de intrekking van de gedoogbeschikking ter beslissing aan de Afdeling had voorgelegd in het kader van een daartoe door verweerder bij dat college in te stellen hoger beroep tegen genoemde uitspraak van de rechtbank. Verweerder heeft hiervan echter afgezien. Nu eiser evenmin hoger beroep heeft ingesteld, heeft de uitspraak van de rechtbank gezag van gewijsde verkregen zodat verweerder overeenkomstig de hiervoor geformuleerde regel in beginsel gehouden was uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Door het bezwaar bij het thans bestreden besluit niet ontvankelijk te verklaren op basis van een standpunt dat verweerder had kunnen aanvoeren in een daartoe in te stellen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2003 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met de rechtszekerheid die is gediend met de eerbiediging van het inhoudelijk oordeel met betrekking tot de intrekking van de gedoogbeschikking, vervat in de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2003.
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat verweerder opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser tegen de intrekking van de gedoogbeschikking met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op het hiervoor overwogene zal verweerder alsnog met inachtneming van het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 7 oktober 2003 inhoudelijk op dat bezwaar moeten beslissen
Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op EUR 644,00, te weten EUR 322,00 voor het indienen van het beroepschrift en
EUR 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het besluit van 14 juli 2004 en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat de rechtspersoon de gemeente Den Haag aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten EUR 136,00, vergoedt;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van EUR 644,00, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,