ECLI:NL:RBSGR:2003:AM2500
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek om voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring
Verzoeker, een Turkse nationaliteit bezittende vreemdeling, kreeg op 1 april 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 25 januari 2002 werd deze vergunning ingetrokken en werd verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker diende op 24 september 2002 zowel een bezwaarschrift als een verzoek om voorlopige voorziening in om uitzetting te voorkomen.
Op 2 april 2003 oordeelde de voorzieningenrechter dat het bezwaarschrift naar voorlopig oordeel ontvankelijk was en dat het onderzoek heropend moest worden. Hierdoor kreeg het bestreden besluit van rechtswege schorsende werking. Verzoeker had daardoor geen belang meer bij het verzoek om voorlopige voorziening, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
Verweerder voerde aan dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens te late indiening, maar dit werd verworpen. De voorzieningenrechter wees ook op de verplichting van verweerder om de beschikking mede aan de gemachtigde van verzoeker toe te zenden, ondanks het lange tijdsverloop sinds het laatste contact.
De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker en gelastte vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift en de schorsende werking van het bestreden besluit.