ECLI:NL:RBSGR:2003:AK8185
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in voormalige FRJ
Eisers, moslims uit de Sandjak-regio van de voormalige Federale Republiek Joegoslavië, vroegen een verblijfsvergunning aan wegens vrees voor vervolging op grond van hun etniciteit. Zij stelden dat zij negen jaar onder psychische druk en discriminatie hadden geleefd, met bedreigingen en ontslag na de NAVO-interventie.
De rechtbank oordeelde dat hoewel eisers een subjectieve vrees aannemelijk maakten, de objectieve feiten en omstandigheden onvoldoende waren om te concluderen dat hun vrees gegrond was. Ambtsberichten en rapporten toonden een gestabiliseerde situatie zonder ernstige mensenrechtenschendingen specifiek tegen Sandjak-moslims.
De rechtbank verwierp ook het beroep op humanitaire gronden wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden en concludeerde dat het beleid omtrent traumata niet van toepassing was. Verder was er geen hoorplicht omdat de beslissing geen schorsende werking had.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werden geen proceskosten toegekend en hoger beroep was uitgesloten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning werd ongegrond verklaard wegens onvoldoende objectieve gronden voor gegronde vrees voor vervolging.