ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9640
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan staatloze vreemdeling uit Koeweit
Eiser, afkomstig uit Koeweit en naar eigen zeggen staatloos, heeft in juli 1999 asiel aangevraagd. Na meerdere fictieve bezwaren en beroepen wegens het uitblijven van een besluit, werd hij in februari 2002 gehoord door een ambtelijke commissie. Verweerder nam vervolgens een inhoudelijk besluit en wees het bezwaar af. De rechtbank oordeelt dat de inhoudelijke beslissing zonder voornemenprocedure is toegestaan voor aanvragen van vóór 1 april 2001, conform wetsgeschiedenis en jurisprudentie.
De rechtbank beoordeelt inhoudelijk dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij staatloos is, mede gelet op het ontbreken van documenten en het feit dat hij medische zorg kon ontvangen en zijn moeder zonder problemen kon worden begraven. Ook is niet gebleken dat eiser persoonlijk vervolging of een reëel risico daarop loopt in Koeweit, noch dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden of op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Voor zover het beroep ziet op de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperkingen “alleenstaande minderjarige vreemdeling” of “vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”, wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep doorgezonden als bezwaar. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier wordt niet-ontvankelijk verklaard.