ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4438
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Vordering tot staking tenuitvoerlegging gevangenisstraf wegens schending EVRM artikel 3
Eiser is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en een geldboete, en heeft gedurende ruim zes jaar in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) een streng regime ondergaan. Hij klaagde bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over onmenselijke behandeling, specifiek de wekelijkse strip-searches in combinatie met andere veiligheidsmaatregelen. Het EHRM oordeelde op 4 februari 2003 dat dit regime een schending van artikel 3 EVRM Pro vormde, en kende eiser een financiële tegemoetkoming toe.
Eiser vordert bij de Nederlandse voorzieningenrechter dat de Staat de verdere tenuitvoerlegging van zijn straf staakt en hij onmiddellijk wordt vrijgelaten. De Staat weigert dit, stellende dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken uitvoering van onherroepelijke vonnissen vereist. De rechtbank erkent dat de schending van artikel 3 EVRM Pro een uitzondering op dit stelsel kan rechtvaardigen en dat rechtsherstel passend moet zijn.
De rechtbank oordeelt dat de financiële tegemoetkoming en erkenning van de schending door het EHRM onvoldoende rechtsherstel bieden. Een passende maatstaf voor compensatie is vermindering van de strafduur met 10% van de tijd in de EBI, wat neerkomt op circa 230 dagen. Dit betekent dat eiser rond november 2003 in vrijheid zou moeten worden gesteld. Echter, omdat het spoedeisend belang ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter de vordering af, met de verwachting dat de Staat het vonnis zal uitvoeren. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
Uitkomst: Vordering tot onmiddellijke vrijlating wegens schending EVRM artikel 3 wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang; maatstaf voor vervroegde vrijlating vastgesteld.