ECLI:NL:PHR:2003:AI0351
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rechtsherstel na schending art. 3 EVRM in detentie
De zaak betreft een verzoek van een gedetineerde die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is erkend als slachtoffer van een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege het regime en de frequente visitaties in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI).
De gedetineerde was onherroepelijk veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf en had een klacht ingediend bij het EHRM over zijn detentieomstandigheden. Het EHRM stelde vast dat de combinatie van het strenge regime en de wekelijkse fouilleringen een onmenselijke of vernederende behandeling vormde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de Staat onrechtmatig handelt door geen passend rechtsherstel te bieden en bepaalde dat een strafvermindering van 10% van de duur van het verblijf in de EBI passend is, wat neerkomt op een vervroegde invrijheidstelling.
De Hoge Raad bevestigt dat hoewel het strafrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent, een uitzondering mogelijk is wanneer een EHRM-uitspraak een fundamentele schending vaststelt die niet in de strafprocedure zelf ligt, maar in de uitvoering ervan. Voortijdige invrijheidstelling is een passende vorm van herstel, waarbij ook andere vormen zoals gratie kunnen worden overwogen, maar deze zijn minder passend zolang geen zekerheid bestaat over hun toekenning.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen; voortijdige invrijheidstelling is een passend rechtsherstel.