ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7155
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van afgeleide vluchtelingenstatus en beëindiging categoriale bescherming Afghaanse asielzoekers
Verzoekster, van Afghaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als afgeleide vluchteling op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Haar echtgenoot heeft een voorwaardelijke vergunning tot verblijf gekregen, die onder de nieuwe wet als verblijfsvergunning bepaalde tijd wordt aangemerkt, maar hij bezit geen vluchtelingenstatus. De rechtbank oordeelt dat deze aanmerking niet gelijkgesteld kan worden met een verblijfsvergunning zoals vereist voor het nareiscriterium.
Daarnaast is het categoriale beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers beëindigd op basis van een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002, dat door de rechtbank als voldoende onderbouwd wordt beschouwd. Verzoekster voerde aan dat het beleid onterecht is gewijzigd en dat zij alsnog bescherming zou moeten krijgen, maar de rechtbank stelt vast dat de Minister een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de beleidswijziging redelijk is.
De rechtbank concludeert dat verzoekster en haar minderjarige kinderen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het nareiscriterium en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.