ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6780
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid Tutsi-afkomst en gebrek aan identiteitsdocumenten
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af te wijzen. Verweerder baseerde de afwijzing op het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten en twijfels over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, met name de Tutsi-afkomst van eiser.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Daarnaast wekte het feit dat eiser de Kirundi en Kinyarwanda niet beheerst en weinig kennis heeft van Tutsi-tradities ernstige twijfel over zijn etnische afkomst. Eiser kon deze twijfels onvoldoende wegnemen, ook niet met in beroep overgelegde documenten waarvan de authenticiteit vaag bleef.
De rechtbank benadrukte dat bij toetsing van besluiten in de AC-procedure nieuwe feiten die voorafgaand aan het besluit ingebracht hadden kunnen worden in beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De rechtbank concludeerde dat verweerder het besluit binnen de vereiste zorgvuldigheid en binnen 48 procesuren mocht nemen.
Gelet op het voorgaande werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens oordeelde de rechtbank dat geen van partijen in de proceskosten hoeft te worden veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.