ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5820
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling van schadevergoeding bij onrechtmatige verblijfsvergunning
Eiser, afkomstig uit Sierra Leone, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling en kreeg aanvankelijk een negatieve beslissing. Na bezwaar verleende verweerder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op humanitaire gronden. Eiser vorderde compensatie in de vorm van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, stellende dat hem deze vergunning ten onrechte was onthouden.
De rechtbank stelde vast dat noch de Vreemdelingenwet 2000 noch het overgangsrecht een grondslag biedt voor een dergelijke compensatie. Wel oordeelde de rechtbank dat het primaire besluit onrechtmatig was omdat verweerder het bezwaar gegrond verklaarde zonder nieuwe feiten. Eiser had daarom belang bij een beoordeling van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro.
De rechtbank paste de civielrechtelijke criteria toe en stelde dat eiser schade in vermogensrechtelijke zin moest stellen en bewijzen. Eiser stelde schade te lijden door een beperkte arbeidscontractduur, maar kon dit niet onderbouwen met materiële nadelen of onmogelijkheid tot verlenging. Daarom was geen sprake van schade in de zin van artikel 6:95 BW Pro.
Omdat geen schade was vastgesteld, hoefde niet te worden getoetst aan overige civielrechtelijke vereisten en bleef het bestreden besluit in stand. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen schade in vermogensrechtelijke zin heeft gesteld.