ECLI:NL:RVS:2002:AE0221
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E.A. Alkema
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning asiel onder Vreemdelingenwet 2000
Appellant heeft op 6 maart 2000 een aanvraag ingediend tot toelating als vluchteling. Na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001 verleende de Staatssecretaris van Justitie appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep onder meer dat hij recht had op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en dat de nieuwe wet geen onmiddellijke werking zou hebben. De Raad van State oordeelde dat appellant op het moment van inwerkingtreding van de wet geen geldige verblijfstitel had en dat de wet wel onmiddellijke werking heeft, waarbij overgangsrecht is geregeld in de wet zelf.
Verder werd geoordeeld dat het declaratoire karakter van de erkenning als vluchteling niet werd aangetast en dat de arbeidsmarkttoegang met een tewerkstellingsvergunning niet in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. Ook het beroep op rechtsbeginselen zoals vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid faalde.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.