ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3690
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegronde vrees voor vervolging van Somalische vluchtelingen van de Reer Hamar
Eisers, afkomstig uit Somalië en behorend tot de Reer Hamar bevolkingsgroep, vroegen asiel aan in Nederland. Verweerder wees hun aanvragen af en verleende slechts voorwaardelijke verblijfsvergunningen. Eisers voerden aan dat zij vanwege hun lichte huidskleur en etnische afkomst structureel werden lastiggevallen, mishandeld en beroofd, met zelfs dodelijke gevolgen binnen hun familie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging. Verweerder stelde dat de problemen het gevolg waren van clanrivaliteit en dat er geen specifieke vervolging was, maar dit werd door de rechtbank verworpen gezien het langdurige en structurele karakter van de negatieve behandeling.
De rechtbank vernietigde het besluit dat de vluchtelingenstatus afwees en beval nieuwe besluitvorming. Tegelijkertijd verklaarde de rechtbank de beroepen tegen de afwijzing van verlenging van de voorwaardelijke verblijfsvergunningen ongegrond, omdat de veiligheidssituatie in Noord-Somalië volgens recente ambtsberichten niet zodanig is verslechterd dat er sprake is van een humanitaire noodsituatie.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten aan eisers. Tegen dit vonnis is voor het deel van de verlenging van de verblijfsvergunningen hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Beroep tegen afwijzing vluchtelingenstatus gegrond verklaard en besluiten vernietigd; beroep tegen afwijzing verlenging verblijfsvergunningen ongegrond.