ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9727
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mvv-vereiste voor verblijf ongehuwd partner en kind volgens gemeenschapsrecht
Eiser, een Colombiaanse vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn moeder en stiefvader, maar zijn aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser voerde aan dat hij en zijn moeder als gemeenschapsonderdanen vrijgesteld zouden moeten zijn van het mvv-vereiste op grond van het gemeenschapsrecht, met name EG-Verordening 1612/68 en het Reed-arrest.
De rechtbank overwoog dat het gemeenschapsrecht inderdaad gelijke behandeling voorschrijft voor onderdanen van lidstaten en werknemers-onderdanen van andere lidstaten, maar dat het begrip "echtgenoot" in de relevante verordening beperkt is tot gehuwde partners. De rechtbank zag geen aanleiding voor een prejudiciële vraag en oordeelde dat de stelling van eiser onvoldoende onderbouwd was om een bredere interpretatie toe te passen.
Verder stelde de rechtbank vast dat het Nederlandse beleid met betrekking tot ongehuwde partners en hun kinderen een mvv-eis stelt, zowel voor partners van Nederlanders als voor partners van werknemers-onderdanen uit andere lidstaten. Dit beleid is niet in strijd met het gemeenschapsrecht omdat het verblijfsrecht van de moeder van eiser niet rechtstreeks op het gemeenschapsrecht is gebaseerd.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het besluit van de Staatssecretaris van Justitie om de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van een mvv rechtsgeldig. Er zijn geen kosten aan de procedure verbonden.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om verblijf wordt buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige mvv.