ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9105

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
26 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/38904
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 29 Vw 2000Art. 71 Vw 2000Art. 115 Vw 2000Art. 7.1 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing vluchtelingenstatus ondanks geldige verblijfsvergunning

Eiser, een Afghaanse vreemdeling, diende op 9 mei 2000 een aanvraag in tot toelating als vluchteling. Deze aanvraag werd op 20 oktober 2000 afgewezen, waarna hij een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ontving. Op 1 april 2001 werd deze vergunning omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang zou hebben bij de toetsing van het bezwaar.

De rechtbank overweegt dat eiser wel degelijk belang heeft bij een rechterlijke toetsing van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, omdat anders de mogelijkheid tot juridische controle op het standpunt van verweerder wordt ontnomen. Desalniettemin oordeelt de rechtbank dat eiser geen rechtens relevant belang heeft bij de inhoudelijke toetsing van het bezwaar, omdat de verblijfsvergunning die hij bezit, ongeacht de grondslag, dezelfde rechten en voorzieningen biedt.

De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt dat de wetgever doorprocederen over verschillende verleningsgronden wilde voorkomen door één ongedeelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te hanteren. De eerdere jurisprudentie waar eiser zich op beroept, is volgens de rechtbank achterhaald door een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
zittinghoudende te Maastricht
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
in verbinding met artikel 71 van Pro de Vreemdelingenwet 2000
en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000
Reg.nr : AWB 01/38904 OVERIO
Inzake : A, eiser.
Gemachtigde, mr. L.M.I.A. Bregonje, advocaat te Roermond,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
Gemachtigde, mr. M.M.J. Pieters, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser, geboren op [...] 1972, bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 4 mei 2000 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 9 mei 2000 heeft hij een aanvraag ingediend tot toelating als vluchteling. Bij besluit van 20 oktober 2000 is de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd en is eiser in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Op 16 juli 2001
heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Op 13 augustus 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 juni 2002. Eiser is aldaar bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
Verweerder heeft zich in zijn beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtens relevant belang heeft bij de toetsing in bezwaar, omdat er wat de rechten en voorzieningen betreft geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende verleningsgronden als bedoeld in artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de omstandigheid dat hij thans in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de
Vw 2000, geen belang heeft bij het instellen van beroep.
Eiser meent dat hij na zijn aanvraag van 9 mei 2000 en voor de inwerkingtreding van de Vw 2000 erkend had dienen te worden als vluchteling en derhalve in het bezit gesteld had dienen te worden van een vergunning op basis van artikel 15 van Pro de Vreemdelingenwet 1965. Eiser stelt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij belang had bij het door hem ingestelde bezwaar. Hiertoe heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Arnhem, van 16 mei 2001, AWB 00/61983, NAV 7, 2001 alsmede een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Gravenhage, van 25 augustus 2001, NAV 2001/264 en JV 2001/269.
Vooraf moet worden opgemerkt dat de rechtbank verweerder niet volgt in zijn stelling, zoals neergelegd in het verweerschrift, dat eiser, gelet op de omstandigheid dat hij thans in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000, geen belang heeft bij het instellen van beroep. Eisers belang is immers gelegen in de mogelijkheid van de rechtbank een oordeel te verkrijgen over de vraag of verweerder zijn bezwaar
terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De door verweerder voorgestane opvatting zou ertoe leiden dat aan eiser de mogelijkheid ontnomen zou worden om verweerders opvatting, inhoudende dat eiser geen belang heeft bij het maken van bezwaar, aan een rechterlijke toetsing te onderwerpen.
De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Op grond van artikel 115, zesde lid, van de Vw 2000 is de vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 aan eiser verleende vvtv met ingang van 1 april 2001, onder handhaving van de geldigheidsduur, van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen rechtens relevant belang heeft bij de toetsing in bezwaar, omdat er wat de rechten en voorzieningen betreft geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende verleningsgronden als bedoeld in artikel 29 van Pro de Vw 2000. De rechtbank overweegt hiertoe dat blijkens de wetsgeschiedenis (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3. P. 3-6, en Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 36-44) bij de totstandbrenging van de Vw 2000 onderkend is dat, indien aan een verblijfsvergunning, naar gelang de in artikel 29 van Pro de Vw 2000 onderscheiden verleningsgronden, uiteenlopende aanspraken worden ontleend, belang bestaat bij het opkomen tegen de beschikking tot verlening daarvan, teneinde een verblijfsvergunning op een andere grond te verkrijgen. Evenzeer treedt uit die geschiedenis ondubbelzinnig naar voren dat de wetgever zulk doorprocederen heeft willen uitsluiten. Om dit tegen te gaan heeft de wetgever gekozen voor een stelsel, waarbij wat betreft asiel slechts sprake is van één ongedeelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die weliswaar op uiteenlopende gronden kan worden verleend, doch waaraan, ongeacht de grond waarop deze rust, dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend.
De rechtbank is van oordeel dat eisers verwijzing naar de jurisprudentie faalt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aangehaalde uitspraken zijn achterhaald door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2002, kenmerk 200105914/1, gepubliceerd in JV 2002/153.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het beroep is mitsdien ongegrond.
III. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van
mr. drs. P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op
26 juli 2002 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. P. van den Brekel w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 26 juli 2002
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.