ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8453
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verlenging van ophouding en bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid onderzoek
Eiser werd op 31 juli 2002 staandegehouden en opgehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na een initiële ophouding werd deze verlengd met maximaal 48 uur en vervolgens werd eiser in bewaring gesteld. Eiser stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregelen en voerde aan dat het onderzoek naar zijn identiteit en verblijfsrechtelijke status onvoldoende voortvarend was verricht, met name dat het horen van eiser achterwege was gebleven.
De rechtbank stelde vast dat het onderzoek pas ruim drie uur na de ophouding begon en dat tot aan de verlenging geen aanvullend onderzoek was verricht. Pas na de verlenging werden vingerafdrukken gecontroleerd en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de ophouding alleen gerechtvaardigd is indien na zes uur nog geen duidelijkheid bestaat over het verblijfsrecht, en dat in dit geval niet voldaan was aan de vereiste voortvarendheid.
Daarmee was de verlenging van de ophouding ongerechtvaardigd en onrechtmatig, en ook de daaropvolgende bewaring was onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de bewaring op per 14 augustus 2002 en kende eiser een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring op en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding en proceskosten.