ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7860
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning vluchteling uit Somalië wegens ontbreken persoonlijk vervolgingsrisico
Eiser, afkomstig uit Somalië en behorend tot de bevolkingsgroep der Reer Hamar, verzocht om een verblijfsvergunning als vluchteling. Hij stelde dat hij vanwege etnische vervolging en de onveilige situatie in zijn land niet kon terugkeren. Verweerder wees de aanvraag af, stellende dat er geen concreet bewijs was van persoonlijke vervolging en dat de algemene situatie in Somalië onvoldoende was voor een vergunning.
De rechtbank overwoog dat het niet tijdig beslissen op de aanvraag door verweerder gelijkstaat aan een besluit, maar dat het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen geen zelfstandig belang oplevert om alsnog een besluit te eisen. De rechtbank nam het beleid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in acht, waaronder het driejarenbeleid en het beleid ten aanzien van minderheidsgroepen in Somalië.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk vervolgingsgevaar loopt of dat terugkeer naar Somalië onredelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie en ambtsberichten die het beleid ondersteunen dat minderheidsgroepen in het noorden van Somalië een verblijfsalternatief hebben.
Tenslotte oordeelde de rechtbank dat de afwijzing van de aanvraag niet onrechtmatig was en dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit kon komen. Het beroep werd afgewezen en partijen werd de mogelijkheid gegeven om binnen vier weken hoger beroep in te stellen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende persoonlijk vervolgingsgevaar is aangetoond.