ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5486

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/17301 VRONTN A3
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75 AwbArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 94 juncto Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige oplegging maatregel vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende onderbouwing vermoeden onttrekking

De vreemdeling is op 7 maart 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring vermeldde als enige grond voor het vermoeden van onttrekking dat de vreemdeling niet beschikte over een identiteitspapier zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

De rechtbank oordeelt dat dit enkele feit onvoldoende is om een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting aan te nemen. Gelet op een recente uitspraak van de Raad van State is de rechtbank niet bevoegd om de bewaringsgronden aan te vullen en dient het oordeel te worden gebaseerd op de oorspronkelijke maatregel. Omdat de maatregel onvoldoende is onderbouwd, is deze onrechtmatig opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring per 15 maart 2002 en wijst een schadevergoeding toe van €760 over de periode 7 tot en met 14 maart 2002. Tevens veroordeelt zij de Staat in de proceskosten van €644. Tegen het deel van de uitspraak over schadevergoeding is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende onderbouwing en er wordt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
UITSPRAAK
Zaaknummer : AWB 02/17301 VRONTN A3
Datum uitspraak: 15 maart 2002
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) in het geschil tussen:
A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1968 en van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, de vreemdeling,
en
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
Zitting: 15 maart 2002.
De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde,
mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat te Roermond.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. A.K. van de Ven.
Als tolk in de Engelse taal was aanwezig drs. J.M.T. van der Steen.
I. PROCESVERLOOP
Op 7 maart 2002 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 8 maart 2002, op diezelfde dag ontvangen ter griffie van de rechtbank, is namens de vreemdeling beroep ingesteld.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.
Naar vaste jurisprudentie dient voor het opleggen van de maatregel van bewaring het vermoeden te bestaan dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan zijn uitzetting. Op het formulier waarin in deze zaak de maatregel van bewaring is vastgelegd is als grond van dit vermoeden enkel vermeldt dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank is van oordeel dat dit enkele feit geen reden is een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting aan te nemen.
Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2002, geregistreerd onder nummer 200106166/1, is de rechtbank niet bevoegd de bewaringsgronden aan te vullen en dient zij haar oordeel te baseren op de maatregel van bewaring zoals die oorspronkelijk is opgesteld. Aangezien die maatregel van bewaring een onvoldoende onderbouwing van het vermoeden van onttrekking bevat, is de maatregel van bewaring onrechtmatig opgelegd. Derhalve dient de bewaring onder gegrondverklaring van het beroep te worden opgeheven.
De rechtbank acht termen aanwezig de vreemdeling voor de ondergane onrechtmatige bewaring schadevergoeding toe te kennen en ziet geen aanleiding die schadevergoeding te matigen.
Overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 15 maart 2002, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat de vreemdeling over de periode van 7 maart 2002 tot en met 14 maart 2002 schadevergoeding toekomt.
Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,-- per dag, die in de politiecel is doorgebracht en van € 70,-- per dag die in het Huis van Bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 8 x € 95,-- is € 760,--.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
* 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;
* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
* waarde per punt € 322,--;
* wegingsfactor 1.
Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van Pro de Vw2000 van de vreemdeling met ingang van 15 maart 2002;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 760,--;
- veroordeelt verweerder in de zijdens de vreemdeling gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-- (te vergoeden door de Staat der Nederlanden), te voldoen aan de griffier.
Aldus gedaan door mr. S.J.O. de Vries als rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.P.J. Tillie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2002.
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van
€ 760,-- (ZEGGE; ZEVENHONDERDZESTIG EURO)
Aldus gedaan op 15 maart 2002 door mr. S.J.O. de Vries.
Voorzover in deze uitspraak een beslissing is gegeven over het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. Tegen het overige deel van deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen bij:
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
Hoger beroep vreemdelingenzaken
Postbus 16113
2500 BC ’s-Gravenhage
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van Pro de Vw2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van Pro de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing.
Afschrift verzonden:
18 maart 2002