ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1948

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
11 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/21877
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak betreffende verblijfsvergunning voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage op 11 april 2002 uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de ambtshalve weigering van een verblijfsvergunning voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling, geboren in 1989 en van Chinese nationaliteit. De verzoekster, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. H.C.M.G. Dietz, had bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie, vertegenwoordigd door mr. L.J.J. Stams, om haar geen verblijfsvergunning te verlenen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar van verzoekster schorsende werking heeft, ondanks het standpunt van de verweerder dat dit niet het geval zou zijn. De voorzieningenrechter benadrukte dat er geen wezenlijk andere rechtsgevolgen aan een ambtshalve genomen besluit zouden moeten kleven dan aan een besluit op uitdrukkelijke aanvraag. Dit leidde tot de conclusie dat verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen kreeg, om zo onzekerheid te voorkomen. De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk voor zover het connex was aan het beroep, maar wees het toe voor zover het connex was aan het bezwaar. Tevens werd bepaald dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaarschrift is beslist. De proceskosten werden aan de verzoekster vergoed door de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
voorzieningenrechter
regnr.: Awb 02/21877
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1989,
van Chinese nationaliteit,
IND dossiernummer 0203.19.8062,
gemachtigde: mr. H.C.M.G. Dietz, advocaat te Maastricht,
verzoekster;
tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
vertegenwoordigt door mr. L.J.J. Stams,
ambtenaar ten departemente, verweerder.
1 Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 23 maart 2002 is beroep ingesteld tegen de beschikking van verweerder van 23 maart 2002. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 02/21879. Bij verzoekschrift van 23 maart 2002 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.
1.2 Bij brief van 3 april 2002 zijn het beroepschrift en de ingediende gronden, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2001 (200105232/1), doorgezonden naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst om te worden behandeld als bezwaarschrift voor wat betreft de ambtshalve weigering van verweerder om verzoekster in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw2000.
1.3 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt geacht mede te omvatten het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege wordt gelaten zolang niet op het bezwaarschrift is beslist.
Het beroep en het verzoek zijn ter zitting van vrijdag 5 april 2002 behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
1.4 Bij uitspraak van heden is het connexe beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2 Overwegingen
Het verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep
2.1 Omdat het connexe beroep niet-ontvankelijk is verklaard is het belang aan de gevraagde voorlopige voorziening komen te ontvallen. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk voor zover dat connex is aan het ingediende beroep.
Het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar
Artikel 73 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) bepaalt dat de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster hangende de bezwaarprocedure geen schorsende werking heeft, omdat de ambtshalve beslissing van verweerder om verzoekster niet in het bezit te stellen van een reguliere verblijfsvergunning op grond van het speciale beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-beleid) niet gelijk kan worden gesteld met een aanvraag in de zin van artikel 73 Vw2000.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, nog daargelaten de vraag of verzoeksters asielaanvraag in casu niet als een implicite aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning op grond van het amv-beleid moet worden beschouwd, niet valt in te zien dat aan een ambtshalve genomen besluit wezenlijk andere rechtsgevolgen zouden moeten kleven dan wanneer een inhoudelijk gelijk besluit op uitdrukkelijke aanvraag daartoe wordt genomen.
Ook uit oogpunt van het strikte, althans strikt bedoelde onderscheid tussen "asiel" en "regulier" is de door verweerder kennelijk voorgestane mengvorm niet begrijpelijk.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat verzoekster hangende de bezwaarprocedure schorsende werking heeft en er op die grond geen belang bestaat bij het verzoek om voorlopige voorziening.
Echter, nu verweerder zich in het algemeen, en ook in casu, op het standpunt stelt dat een ingediend bezwaarschrift als in het onderhavige geval aan de orde is, geen schorsende werking heeft en de voorzieningenrechter het van belang acht dat verzoekster de behandeling van het bezwaarschrift hier te lande mag afwachten, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, temeer om onzekerheid voor verzoekster te voorkomen.
3 BESLISSING
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk voor zover connex aan het beroep;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe voor zover connex aan het bezwaar;
- bepaalt dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaarschrift is beslist;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ad 644 euro onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Smeele en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 11 april 2002.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden:
11 april 2002.