ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7091
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid en tijdigheid kennisgeving voortduren bewaring vreemdeling onder Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring van een vreemdeling, ingesteld onder de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling was in bewaring gesteld op grond van de oude Vreemdelingenwet en later opnieuw op grond van de nieuwe wet. De centrale vraag was of de kennisgeving van het voortduren van de bewaring tijdig was gedaan volgens artikel 121, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank overwoog dat de kennisgeving uiterlijk binnen 28 dagen na de uitspraak op het eerste beroep of binnen 28 dagen na de inwerkingtreding van de wet moest plaatsvinden. Hoewel de kennisgeving pas op 26 april 2001 werd gedaan, was dit nog binnen 28 dagen na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001, en daarmee tijdig.
Daarnaast werd beoordeeld of de bewaring zelf nog gerechtvaardigd was. De rechtbank stelde vast dat de gronden voor bewaring nog steeds bestonden, mede omdat de vreemdeling onvoldoende meewerkte aan het onderzoek naar zijn identiteit en uitzetting. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de kennisgeving van het voortduren van de bewaring tijdig is gedaan.