ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8399
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek opheffing ongewenstverklaring en verblijfsvergunning Italiaan
Verzoeker, een Italiaan, heeft op 1 maart 2001 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als partner en zelfstandige, en tevens verzocht om opheffing van een ongewenstverklaring van 12 april 1999. Verweerder had uiterlijk 1 september 2001 moeten beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag. Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing was prematuur en had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring was niet prematuur.
De rechtbank oordeelt dat de beslissing van 6 september 2001 op bezwaar ten aanzien van het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond is, en vernietigt dit deel van het besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand, omdat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de ongewenstverklaring gehandhaafd moet blijven. Verzoeker is in een eerdere procedure ongewenst verklaard en dit besluit is onherroepelijk geworden. Verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden voor opheffing, mede omdat hij Nederland niet heeft verlaten en zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 197 Sr Pro.
Het beroep tegen de weigering tot opheffing en de weigering van verblijf wordt ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat de inmenging in het gezinsleven van verzoeker gerechtvaardigd is vanwege de openbare orde. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het niet tijdig beslissen, maar de ongewenstverklaring blijft gehandhaafd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.