ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7107
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.J.H. van Meegen
- P.K. Nihot
- P.M. Mol
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens nalaten vervolgkennisgeving bij vreemdelingenbewaring
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding van een vreemdeling die op 15 juni 2001 in bewaring werd gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de bewaring rechtmatig was tot 2 juli 2001, bevestigd door de Raad van State. De vreemdeling stelde dat de vervolgingskennisgeving, vereist op grond van artikel 96 Vw Pro, niet tijdig was verzonden, waardoor de bewaring tussen 30 juli en 29 augustus 2001 onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het nalaten van de vervolgingskennisgeving door verweerder een schending van een fundamentele rechtsbescherming vormde en daarmee niet slechts een formele fout was. Hierdoor was de bewaring gedurende die periode onrechtmatig en had eiser recht op schadevergoeding. Verweerder voerde onder meer aan dat schadevergoeding slechts vanaf het moment van het beroepschrift verschuldigd zou zijn en dat matiging van de vergoeding op zijn plaats was, maar de rechtbank verwierp deze standpunten.
De rechtbank benadrukte het belang van de periodieke rechterlijke toetsing bij vrijheidsontneming en de expliciete verantwoordelijkheid van verweerder om deze toetsingen mogelijk te maken. Gezien het vrijheidsontnemende karakter van de maatregel en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, werd de schadevergoeding toegekend voor 29 dagen onrechtmatige bewaring à ƒ 150 per dag, totaal ƒ 4350. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van ƒ 1420.
Uitkomst: De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor 29 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten.