ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6276
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen boete voor niet inleveren OV-studentenkaart afgewezen wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiser kreeg op 25 september 1999 een boete van 300 gulden opgelegd wegens het niet inleveren van zijn OV-studentenkaart na beëindiging van zijn studiefinanciering per 1 september 1999. Eiser diende een bezwaarschrift in, dat door verweerster werd opgevat als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit. Verweerster wees dit verzoek af omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.
De rechtbank overwoog dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voorschrijft dat een bezwaarschrift tegen een rechtens onaantastbaar besluit automatisch als verzoek tot heroverweging moet worden opgevat. Aangezien eiser niet had aangegeven dat zijn bezwaarschrift een verzoek tot heroverweging betrof op grond van nieuwe feiten, had verweerster het bezwaarschrift als zodanig kunnen beoordelen.
De rechtbank beoordeelde het bestreden besluit in de context van artikel 4:6 Awb Pro, dat terughoudendheid vereist bij verzoeken tot herziening op basis van nieuwe feiten. Het feit dat eiser zijn OV-kaart had weggegooid, werd niet als nieuw feit beschouwd omdat dit hem eerder bekend had kunnen zijn maken. Daarom was het besluit van verweerster om niet terug te komen op de boete redelijk en rechtmatig. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering om terug te komen op de boete wegens het niet inleveren van de OV-studentenkaart wordt ongegrond verklaard.